Geschiedenis van kanna

Kannaland

Het vetplantje kanna is inheems in Zuid-Afrika. Voor de kolonisatie werd dit gebied door twee bevolkingsgroepen bewoond: de Khoikhoi (vroeger bekend als Hottentotten) en de San (vroeger bekend als Bosjesmannen). Beide volken waren jagers-verzamelaars, maar in de loop van de tijd werd veehouderij een belangrijkere bron van inkomsten voor de Khoikhoi.

Volgens Gericke en Viljoen (2008) worden planten van de Sceletium soort al millennia lang gebruikt ‘om dorst, honger en vermoeidheid tegen te gaan, als medicijn, en voor sociale en spirituele doeleinden’.

Hun gemeenschappelijke achtergrond verklaart de culturele overeenkomsten tussen de twee bevolkingsgroepen, die beiden de heilige ‘eland antilope’ met Sceletium tortuosum associëren. Deze eland antilope luistert zelfs naar dezelfde naam: ‘kanna’.

Patterson, een reiziger aan het eind van de 18e eeuw, schrijft dat het gebied waar de plant groeide ‘Kannaland’ werd genoemd door de lokale bevolking. Nienaber en Raper interpreteerden dit als ‘een reflectie van het feit dat zowel Sceletium als de eland antilope in overvloed voorkwamen’.

Rotsschildering van de San in het Ukhalamba-Drakensberg Park (Kamberg Rock Art Center)
Rotsschildering van de San in het Ukhalamba-Drakensberg Park (Kamberg Rock Art Center)

Deze afbeelding is te zien in het Kamberg Rock Art Center in het Ukhalamba-Drakensberg Park in Zuid-Afrika. De eland antilope was één van de belangrijkste dieren om op te jagen voor de Khoikhoi en de San en komt regelmatig voor op rotsschilderingen. Het dier werd symbolisch in verband gebracht met vruchtbaarheid, huwelijk, het aantrekken van regen, waarzeggerij, trance, dans en genezing.

Orale kennis over Sceletium tortuosum is grotendeels verloren gegaan. Conflicten met kolonisten, genocidale jachtpartijen op de San, verlies van land, door kolonisten meegbrachte ziektes en acculturatie zijn hiervoor de belangrijkste redenen. Overgebleven historische verslagen komen van kolonisten die zich vanaf de 17e eeuw in Zuid-Afrika begonnen te vestigen.

Kolonisten ontdekken kanna

Het eerste geschreven verslag over kanna komt van de Nederlandse ontdekkingsreiziger en zakenman Van Riebeeck. In 1662 hoorde hij over de effecten van de plant en onderhandelde met de lokale bevolking over Sceletium en schapen.

Enkele jaren later, in 1685, beschrijft de koloniale gouverneur van de Nederlandse Kaapkolonie, Simon van der Stel, het lokale gebruik van kanna in zijn dagboek: ‘Ze kauwen voornamelijk op een plant die ze Canna noemen, waarvan ze de wortels en de stam tussen stenen verpletteren en in aan elkaar genaaide schapenhuiden bewaren. Toen we in oktober bij de Coperbergh kwamen, werd het door iedereen geoogst van de omliggende heuvels (om een voorraad voor het hele jaar aan te leggen).

Omdat kauwen de meest voorkomende manier van consumeren was, noemden de Nederlanders kanna ‘kougoed’, oftewel: ‘goed om te kauwen’. De kolonisten prijsden de plant voor haar ‘gingseng-achtige eigenschappen’.

Illustratie in het dagboek van Van der Stel
Illustratie in het dagboek van Van der Stel

Een bijgevoegde illustratie in het dagboek van Van der Stel maakt duidelijk dat de beschreven plant inderdaad van het Sceletium soort is.

Hij schrijft: ‘Deze plant wordt gevonden in de Namaquaas en dan alleen op enkele bergen. (…) De plant staat in hoog aanzien bij de omliggende bevolking, net zo als de betel of areca palm bij de Indianen. Ze kauwen op zowel de stam als de wortels, meestal de hele dag, en raken daardoor onder invloed. Op basis van dit effect, de geur en de hartige smaak is enige winst te verwachten van het kweken van deze plant.’

In een ander verslag van een eeuw later, in 1773, beschrijft Carl Peter Thunberg, een Zweedse botanist en arts, een vergelijkbare bereidingswijze als Van der Stel: ‘De Hottentotten komen van ver om deze struik met wortel en al te plukken. Vervolgens slaan ze deze stuk, en verwringen deze als bij pruimtabak. Daarna laten ze de massa fermenteren en houden ze het bij zich om erop te kauwen, voornamelijk als ze dorst hebben. Wanneer dit direct na het fermenteren wordt gekauwd, heeft het een bedwelmend effect.

Thunberg zelf identificeerde de plant als Sceletium emarcidum, een nauwe verwant van Sceletium tortuosum. Zijn redacteur merkte op dat de naam ‘kanna’ waarschijnlijk naar verschillende Sceletium soorten verwees, waaronder Sceletium tortuosum.

Thunberg, een student was van de beroemde botanist Linnaeus, maakte tussen 1772 en 1774 twee reizen naar de Oostelijke Kaap. Volgens hem gebruikten de lokale Hottentotten de naam ‘kon’ voor het kauwmengsel. Het werd als waardevolle substantie gezien en de lokale bevolking vervoerde het over grote afstanden om het te verhandelen tegen vee en andere goederen.

Gericke en Viljoen (2008) suggereren dat dat er rond het midden van de 19e eeuw een aantal handelscentra ontstonden rondom Sceletium. Ze beschrijven dat kanna werd verkocht om ‘slapeloosheid in volwassenen te behandelen, diarree in kinderen, en dat het ook werd gekauwd om een milde verdoving of bedwelming te bewerkstelligen’.

Smit en collega’s (1996) interpreteerden Thunbergs verslagen over de collectieve oogst van de plant als bewijs dat Sceletium planten op rituele wijze werden gebruikt, waarschijnlijk tijdens seizoensgebonden bijeenkomsten.

Kanna in een rookmengsel

Thunberg is de eerste die noteert dat kanna ook wordt gerookt. Over de San schrijft hij: ‘Deze mensen kauwen ‘Canna’ (Mesembryanthemum) en vervolgens roken ze het’. In 1789 beschrijft de reiziger Paterson dat kanna deel uitmaakt van een rookmengsel waar ook andere kruiden in zitten: ‘Ze maken er gebruik van, zowel door erop te kauwen als het te roken; gemengd met Dacka is het zeer bedwelmend, dit lijkt dezelfde soort hennep te zijn die in Oost-Indië bekend staat onder de naam Bang.’

Kanna werd dus gecombineerd met andere kruiden – waaronder cannabis sativa. Vermoedelijk is hierdoor de mythe ontstaan dat kanna zelf hallucinogene eigenschappen heeft.

Ontdekkingsreiziger Peter Kolben vergeleek kanna in 1738 met de Europese mandragora en beschreef het als ‘de grootste bezieler van de geest, en de nobelste verkwikker in de wereld.’

Isolatie van alkaloïden uit kanna

In 1898 isoleerde Meiring als eerste een alkaloïde uit Sceletium tortuosum. Enkele jaren later werd deze stof ‘mesembrine’ genoemd door Hartwich en Zwicky. Meiring testte de substantie op kikkers en cavia’s en observeerde een ‘snelle fysieke reactie’ bij de kikkers. De cavia’s vertoonden onrust en gebrek aan eetlust en enkele dieren overleden.

In 1914 schreef de Duitse farmacoloog, analytisch chemicus en botanist H.W.R. Marloth een dissertatie over kanna. Hij groepeerde verschillende alkaloïden in de plant onder de noemer mesembrine. Hedendaags onderzoek geeft een beter overzicht van de verzameling alkaloïden in Sceletium tortuosum, maar de precieze samenstelling blijft tot op vandaag onbekend.

Kanna in de 20e eeuw

Het inheemse gebruik van kanna wordt ook vermeld in een reeks verslagen uit de 20e eeuw. Meiring beschrijft het lokale gebruik van ‘één of twee druppels’ Sceletium tortuosum om kinderen makkelijk in slaap te laten vallen. Op dezelfde wijze rapporteren Watt en Breyer-Brandwijk in 1962 dat Nama moeders de wortels kauwen en het speeksel in de mond van hun baby spugen. Rood (1994) noteert dat het sap van de bladeren van Sceletium emarcidum met melk wordt gemengd en aan baby’s gegeven als slaapmiddel. Volgens Rood wordt het ook gebruikt om het doorbreken van tandjes bij kleine kinderen te verzachten.

In 1928 observeerde Laidler het gebruik van kanna in dansrituelen. Hij beschrijft dat kanna ‘werd gekauwd en voor een tijd in de mond gehouden, waardoor ze opleefden, hun ogen werden helder, de gezichten kregen een joviale uitdrukking, en ze begonnen te dansen.’ Alhoewel hij ook toevoegt: ‘als ze zich hier overmatig aan tegoed doen, verdooft het hun zintuigen en raken ze bedwelmd.’ In 1960 beschrijft Jacobsen dat Sceletium tortuosum als thee en als snuifmiddel wordt bereid in plaats van als kauwmateriaal. Kanna wordt traditioneel dus voor een groot aantal doeleinden ingezet en op verschillende manieren geprepareerd.

De huidige situatie van kanna

Tegenwoordig groeit de populariteit van kanna als recreatief middel sterk. Het wordt overal ter wereld verkocht door smartshops en online verkooppunten. Kanna wordt niet vermeld in international drugsverdragen en voor zover we weten is het in alle landen legaal.

In 2001 patenteerde het farmaceutische bedrijf HG&H Pharmaceuticals een kanna-extract onder de naam Zembrin®. Dit extract bevat mesembrine, mesembrenon en mesembrenol. In 2012 kwam het op de markt als recept geneesmiddel.

De lokale San bevolking protesteerde tegen de exploitatie van kanna door buitenlandse bedrijven. In enkele gevallen werden er overeenkomsten gesloten waardoor een deel van de winst terugvloeit naar de lokale bevolking.

Door verschillende factoren, zoals overmatig oogsten, klimaatveranderingen en ziektes, is de beschikbaarheid van wilde Sceletium tortuosum sterk afgenomen. Tegenwoordig worden de planten voornamelijk in Zuid-Afrikaanse kwekerijen verbouwd en vervolgens over de wereld getransporteerd.

Opmerking: Veel van de informatie op deze pagina is gebaseerd op Erowid’s Kanna Vault, waar we erg dankbaar voor zijn!